Compost in hopen

In de beginjaren van het biologisch tui­nieren stond de composthoop in het cen­trum van de belangstelling. Samen met het niet gebruiken van sproeimiddelen en kunstmest, was het met hun kompost dat de biologische tuiniers zich onderscheid­den van andere tuinliefhebbers. Ondertus­sen heeft de composthoop zeker niet aan waarde ingeboet, maar zijn andere be­mestingssystemen ook op de voorgrond getreden, met in de eerste plaats de vlakke compostering of mulching. Kom­post blijft dus een vaste waarde in het bemestingsprogramma en we gaan er dan ook grondig op in.

Nu moet je niet denken dat kompost een uitvinding is van de biologische tuiniers. Dat is het namelijk niet. In China, India en andere Aziatische landen is deze werkwijze al eeuwen gekend, en ook in ons land was composteren wel gekend, maar al flink in onbruik geraakt toen de biologische tuiniers er weer mee begon­nen.

De enige sector in de gangbare beroeps­teelt waar met kompost gewerkt wordt, is de champignonteelt. Men heeft er al minstens vijftig jaar ervaring met het vervaardigen van kompost op base van paardenmest, kippenmest, stro en gips.

Definitie

Composteren is een biologisch proces, waarbij organisch materiaal wordt omge­zet in een stabiel humusachtig product. Om dit proces in een redelijk korte tijd te verwezenlijken moet de temperatuur kunnen stijgen en daarom wordt het or­ganisch materiaal in een hoop opgezet. Deze hoop kan allerlei vormen aannemen. Een typische eenvoudige hoop bij een amateur-tuinier staat onderaan.

We maken onderscheid tussen de gewone, aerobe compostering en de anaerobe. Bij aerobe compostering zorgt de losse sta­peling ervoor dat er zuurstof in de hoop kan. Daardoor krijgen we een hoge temperatuur en een snelle reukloze compostering. Bij anaerobe compostering wordt de hoop vastgetrapt of gaat het materiaal in een put (bv. de traditionele compostput in China). We krijgen dan lagere temperaturen en trage processen die wel geur afgeven. In ons land wordt uitsluitend aerobe compostering toege­past. Alleen daarover zullen we het ver­der hebben.

Het composteringsproces
Micro-organismen enregenwormen

De vertering van het organisch materiaal is een biologisch proces dat als geheel wordt aangeduid als "broeien" of "gis­ten". Het wordt voornamelijk uitgevoerd door verschillende soorten micro-organismen.Eerst zetten vooral bacteriën zich aan het werk. Naarmate de temperatuur stijgt, verschijnen er meer en meer soor­ten bacteriën en ook schimmels die van warmte houden. In het heetst van de strijd komen ook straalschimmels (acti­nomyceten) hun woordje meepraten. Wanneer de temperatuur gaat dalen, ver­schijnen weer andere soorten bacteriën en schimmels, die van minder warmte houden. Ook insecten en eencellige we­zentjes spelen een zekere rol. De re­genwormen verschijnen nu in de hoop en zullen zich er nog een hele tijd doorheen eten. In hun spijsverteringsorganen wordt ailes goed gemengd en fijn gemalen. Door de hoop om te keren of dooreen te zetten, wordt nieuwe zuurstof toegevoegd en kan een tweede, zij het minder hoge activiteitenpiek bereikt worden.Vanwaar komen al die beestjes? De micro-organismen zitten in en op de afval­stoffen zelf. Vooral dierlijke ment is er zeer rijk aan. Ze komen ook uit toege­voegde grond of verteerde kompost, of uit de compoststarters die noms gebruikt worden. Sommige komen ook uit de lucht. Voor alle micro-organismen geldt dat ze zich verschrikkelijk snel kunnen vermenigvuldigen eens ze een geschikte voedingsbodem gevonden hebben. In verte­rende schorscompost werden bv. 70 mil­joen bacteriën per g geteld.

Verminderingvanvolume

De micro-organismen gebruiken koolstof en ook stikstof voor hun groei en voort­planting. Koolstof wordt ook benut als energiebron. Daarbij scheiden ze kool­stofdioxide (C02) af, dat in de lucht verdwijnt. De hoeveelheid koolstof ver­mindert dus, of m.a.w. de hoeveelheid organisch materiaal neemt af, waardoor het volume van de hoop verkleint. Door dat verlies aan koolstof, wordt de C/N verhouding kleiner. De gehaltes aan voedende bestanddelen (P, K, Mg, Ca) worden hoger omdat de massa vermindert. We verkrijgen dus een meer geconcentreerd product. Bovendien verkleint het volume van de hoop ook omdat het ma­teriaal steeds fijner wordt gemaakt.

Temperatuur

Met zijn allen breken die kleine beestjes de ingewikkelde weefsels af tot eenvou­diger stoffen en gassen. Een deel van de energie die daarbij vrijkomt, hebben ze zelf niet nodig : die komt vrij onder de vorm van warmte. Die warmte sti­muleert dan weer vele micro-organismen, zodat de vertering sneller verloopt.Zo wordt na een dag of twee, afhanke­lijk van de omstandigheden, een temperatuur van 45°C tot 70°C in de hoop be­reikt. De hogere temperaturen worden verkregen in grote hopen met stro en stalmest, de lagere temperaturen in klei­ne hopen zonder dierlijke mest. Als het snel afbreekbare materiaal na enkele da­gen is afgebroken, begint die tempera­tuur langzaam aan te.dalen. Dat is niet erg, want de vertering gaat het snelst bij temperaturen in de hoop tussen 35 en 55°C.

Toch is het van belang dat een tempera­tuurspiek bereikt wordt, om zoveel moge­lijk ziektekiemen en onkruidzaden on­schadelijk te maken. De meeste eitjes en larven gaan bij temperaturen hoger dan 55 à 60°C binnen enkele uren dood. Dan worden ook onkruidzaden steriel en zijn de ontkiemde zaden afgestorven. Sporen van schimmels gaan dood bij 65°C. Het dodende effect van hoge tem­peraturen wordt sterk vergroot als het milieu in de hoop vochtig is. In een dro­ge omgeving moet de temperatuur hoger zijn om hetzelfde effect te hebben. •Bij het doden van de ziektekiemen spelen ook natuurlijke antibiotica, afgescheiden door schimmels en straalschimmels een rol.Naarmate de tijd vordert dalen de tem­peraturen in de hoop geleidelijk verder en zijn de omzettingen minder spectaculair.

Verteringsgraad

Een composthoop die het hele proces van de vertering heeft doorgemaakt, levert een humusachtige meststof, die nog maar zeer weinig verandert (rijpe kompost).

Hoelang het duurt voor het zover is,is moeilijk in het algemeen te zeggen. Het hangt vooral af van het seizoen en de aard van het gebruikte materiaal. In de zomerperiode zal het gemiddeld drie maanden duren. In de winter wordt het composteringsproces trager. Als we de kompost meer dan een jaar laten liggen is hij niet meer van gewone grond te onderscheiden (overjaarse kom­post).En als het proces stilvalt voor alles verteerd is, of als je niet zo lang wacht, bekom je allerlei tussenproducten, met een lagere verteringsgraad (jonge kom­post). Naargelang de verteringsgraad lager is, heeft de kompost meer waarde als mest (plantenvoeding) en minder als humus­aanbrenger en structuurverbeteraar. Naarmate de vertering vordert, daalt de voedingswaarde en komt het accent meer te liggen op de bodemverbeterende eigen­schappen.


Het organisch materiaal
In principe komt alle in de natuur voor­komend organisch materiaal in aanmer­king, plus nog enkele industriële producten. De volgende eigenschappen van dat organisch materiaal zijn van belang:

Grootte vande deeltjes

Fijngemaakt materiaal heeft een groter oppervlak en kan door meer micro-organismen tegelijk aangepakt worden. Zeer fijn materiaal koekt dan weer aaneen, en verhindert het intreden van de nodige zuurstof. Algemeen wordt aangenomen dat er geen brokken groter dan 10 cm in de hoop mogen.

Structuur

Als we stellen dat er "structuur" in het materiaal moet zitten, bedoelen we daarmee dat er genoeg holten in het materiaal moeten zitten die lucht kunnen bevatten. Een compacte massa kan nooit behoorlijk verteren bij gebrek aan zuurstof. Zo'n hoop gaat stinken. Mest met weinig of geen stro heeft bv. geen structuur. Ook sommige zachte groene plantendelen zoals jong gras, koolblade­ren, aardappelloof en keukenafval geven een massa zonder structuur. Stro is het beste materiaal om structuur, en dus lucht in de hoop te krijgen. Ook groene vezelachtige materialen zoals brandne­tels, varens, oud (volgroeid) gras en an­der kruidachtig materiaal brengen structuur in de hoop. Sommige materialen zorgen ook voor structuur, maar hebben het nadeel minder snel te verteren dan de rest : stengels van maïs, zonnebloem, aardpeer en haagsnoeisel. Reserveer dit materiaal voor de onderste laag en meng het niet met de rest.

Vochtigheid

Noch zeer droog, noch kletsnat materiaal is ideaal om te verteren. Een gemiddeld vochtgehalte van 45 tot 50% is nodig. Door menging van natte en droge mate­rialen is dit gemakkelijk te verwezenlij­ken. Bij een te hoog vochtgehalte, komt er te weinig zuurstof in, de hoop, waar­door anaërobe micro-organismen de over­hand krijgen. De hoop blijft koud. In een te droge hoop valt de vertering stil bij gebrek aan het levensnoodzakelijke water. Vooral volgende materialen bevatten veel water : tuinafval in het algemeen, on­kruid, gier, varkensmest. Het zijn "kou­de" materialen. Droge materialen bij uitstek zijn stro en gedroogd groen ma­teriaal.

Om tijdens de compostering de vochtig­heid in de hoop te controleren kan je wat materiaal uit de hoop nemen en in je vuist samenknijpen. Loopt het water eruit, dan is de hoop te nat. Als je je hand weer opent en het materiaal valt gewoon uiteen, dan is het te droog. Ko­men er door hard te nijpen enkele drup­pels uit te voorschijn, dan is het vocht­gehalte ideaal.

Compost in containers

In plaats van het te composteren materi­aal op een hoop te brengen, kan het ook in een soort container gebracht worden. Dat geeft minder rommel en volgens sommigen een verzorgder uitzicht. Bo­vendien neemt een container minder plaats in.
Over de compostcontainers die meer en meer te koop aangeboden worden het
volgende :

- veel compostcontainers zijn erg duur maar soms ook heel net.

- sommige snufjes eraan zoals opschuif­bare wanden, die toelaten de gebruiks­klare kompost onderaan uit te scheppen, zijn niet erg noodzakelijk.
- een container van hout is niet noodza­kelijk beter dan een van plastiek, daar het hout regelmatig moet behandeld wor­den met chemische conserveermiddelen.
- een container in draad moet erg beschuit opgesteld worden, zoniet wordt de inhoud te droog door de inwerking van wind en zon en kan ook gemakkelijk bevriezen. - de meeste containers hebben een te kleine inhoud. Een amateur zou per 100 mtuinoppervlakte toch minstens over een kubieke meter composteervolume moeten beschikken.
- sommige containers hebben een holle verluchtingsbodem. Een nadeel hiervan is dat deze het de regenwormen moeilijk maakt om in de kompost te geraken. Zelf een compostcontainer maken is he­lemaal niet moeilijk en hij valt goedko­per en ruimer uit.

Met planken. Verduurzaamde houten plankjes op balkjes vastmaken, zodat je vier wanden hebt van 1 x 1 meter en dus een compostbak met inhoud van 1 m.
Met plastiek. Door een stuk plastiek
golfplaat van 4 m lang en 1 meter breed op zijn kant te zetten en aan ijzeren paaltjes vast te zetten, bekom je een ronde compostbak van 1 m hoog en + 1,30 m diameter. In het midden van zo'n container maak je een verluchtings­koker door een stuk stevig fijnmazig gaas tot een cilinder te rollen en die aan 1 of 2 paaltjes vast te maken.

Met ijzerdraad. Aan stevig in de grond gézette palen, bevestig je ijzerdraad. Je kan daarvoor ijzeren matten nemen die gebruikt worden om beton te wapenen. Of een stevige draad die bedoeld is voor tuinafsluitingen of hondenhokken. De mazen van gewone schapendraad zijn wat te groot om al de kompost tegen te houden. Als je vlak naast de schapen­draad nog een stuk kippengaas zet kan het natuurlijk wel.

Met ijzerdraad en palen kan je ook een omheining maken rond een opgezette composthoop die de neiging heeft om af te brokkelen. Vooral als je het mooi opzetten nog niet onder de, knie hebt en toch netjes wil werken, kan dat een oplossing zijn. En je kan je verbeelding verder laten werken : met ijzerdraad en latten ... Of gemetst (wel opletten om openingen te laten).

Gebruik
Kompost kan op veel verschillende ma­nieren gebruikt worden. Veel hangt af van de verteringsgraad. Zorg er in ieder geval voor dat er geen compost op de bladeren van de planten terecht komt. Dat geeft aanleiding tot rotte plekken.Kompost kan zowel op onbegroeide grond gebracht worden, als tussen de groetenrijen in gestrooid. Toediening voor de winter geeft grotere verliezen aan voedingsstoffen dan het ge­bruik na de winter. Toediening voor de winter is nochtans aangewezen daar waar het de bedoeling is het gehalte aan or­ganische stof en humus snel naar boven te krijgen.